Een oud springversje

Over het geheim van de boodschap van Pasen is veel geschreven. In zijn beroemde hoofdstuk 1 Korintiërs 15 legt Paulus uit, hoe Jezus ons is voorgegaan op de weg dóór de dood heen. Als éérste van de gestorvenen. Hij was de eerste. Hij heeft de weg ontsloten en die Hem toebehoren mogen Hem volgen.
Dit zijn woorden. En woorden kunnen vaak abstract blijven. De boodschap kan dichterbij komen, als je er ook over kunt zíngen. In dit geval zingen over die bijzondere weg, die Jezus voor ons is gegaan. En opmerkelijk genoeg wordt deze weg van Jezus ook bezongen in een oud Nederlands kinderversje, dat vroeger klonk bij het touwtje springen. Ik heb het ooit in mijn kinderjaren geleerd. Het gaat zo:
           Witte zwanen, zwarte zwanen;
           wie gaat er mee naar engelland varen?
           Engelland is gesloten, de sleutel is gebroken.
           En is er dan geen smid in 't land,
           die ons de sleutel maken kan?
           Laat doorgaan, laat doorgaan;
           wie achter is, mag voorgaan!
Kunt u zich de melodie nog herinneren?
Opvallend in dit versje: er staat 'engelland'. Let wel: met een kleine letter “e” en een dubbele “l”. Het gaat dus niet om het land Engeland aan de andere kant van de Noordzee, het gaat om het land van de éngelen: de hemel! Het gaat in dit kinderliedje over het gáán naar de hemel. ‘Varen’ -naar engelland varen- is een oud-Nederlands woord voor ‘gaan’. Denk aan ons woord Hemelvaart. Wie gaat er mee naar engelland varen is dus niet varen in een bootje de Noordzee over, nee het gaat over het gaan naar de hemel. In dit verband wordt ook het spreken over die zwanen duidelijk. Witte zwanen, zwarte zwanen; wie gaat er mee naar engelland varen? Die zwanen zijn beeld van het sterven. Zo komen wij zwanen ook tegen in de uitdrukking: 'een zwanenzang zingen'. Dat slaat op het laatste dat iemand doet vlak voor zijn sterven.
Het lied vertelt vervolgens, dat 'engelland' -de hemel- gesloten is, terwijl de sleutel gebroken is. Dat wil zeggen: de dood stelt ons voor een grens. De dood is de baas. De situatie is uitzichtloos: de weg naar de hemel -engelland- is dicht. De vraag is dan, of er niet een smid is die de sleutel maken kan, waardoor die weg weer open kan worden. Het antwoord op die vraag geeft het versje zelf, want in de laatste regels wordt duidelijk, dat er wel degelijk sprake is van een doorgang naar het leven in 'engel¬land'. Want dan zingen we: Laat dóórgaan, laat dóórgaan; wie achter is, mag voorgaan!
In simpele woorden wordt hier bezongen: de dood is niet het laatste, níet de baas. Er is een dóórgang.
Wij hoeven op de dood niet stuk te lopen. Er is inderdaad iemand -een timmerman- die de sleutel maken kan!
Dit oude en eenvoudige kinderliedje is dus een paasliedje. Het vertelt over de weg, die Jezus voor ons is gegaan. De weg door het lijden en sterven heen naar de morgen van Pasen, de overwinning op de dood. De sleutel tot de hemel. En verrassend is dan de laatste zin van het versje: 'Wie achter is, mag voor¬gaan'. Ook dát is een Bijbelse gedachte. Want is niet een bekend woord van Jezus, dat laatsten de eersten zullen zijn? Dit woord zegt allereerst iets over Jezus zélf. Over de weg die Jezus zélf hier op aarde is gegaan. Hij immers werd de laatste, de minste, die uiteindelijk ons vóórging. Het zegt ook iets over óns. Laten wij maar proberen bescheiden te zijn en -net als Jezus- de minste, de laatste, oftewel dienstbaar. Ook dát is de weg van Pasen.
Sleutel tot de hemel. Zingt u het mee: ‘Wie achter is, mag voorgaan’?
Ds. Klaas van der Sloot