Herinner U de namen …

Een man op een kerkhof, zittend op een visstoeltje. Hij staart voor zich uit, het hoofd tussen de handen. Heeft geen oog voor wat er om hem heen gebeurt. In gedachten verzonken. Soms prevelt hij iets. Nu en dan veegt hij met zijn zakdoek over zijn wang.
Na lange tijd staat hij op, wandelt weg. Af en toe kijkt hij nog even om en steekt zijn hand op alsof hij wil zeggen: tot ziens. Wanneer ik langs de plek loop lees ik op de steen twee namen: van een vrouw en van een kind.
Zij is 48 jaar geworden, de jongen, hun zoon?, 23. Op dezelfde dag gestorven. Omgekomen door een ongeluk? Ach, wat doet het ertoe: wat een verdriet.
Het beeld maakt op mij een diepe indruk. Bij elke begrafenis komt dit beeld in mijn herinnering. Het ontroert mij zoals elk afscheid mij emotioneert. Iemand die je kent, die je zo dierbaar is geworden, los te moeten laten. Een definitief afscheid waarbij elk gesproken
woord soms te veel is. Dat is het erge van de dood. De dood betekent dat we elkaar nooit meer echt kunnen ontmoeten. We kunnen nooit meer iets tegen elkaar zeggen. De dood is het onherroepelijke einde van alle contact. Daarom is de dood ook zo afschuwelijk en zo hard en zo onverbiddelijk.
Met opzet gebruik ik al die woorden. Er is geen enkele reden om de dood een beetje te verbloemen. Ik kan dan ook helemaal niet uit de voeten met wat er staat in gezang 400 uit het Liedboek 1973. Dat is een gedicht van Franciscus van Assisi. De tiende strofe
begint met de woorden 'Lof zij U Heer om zuster dood, halleluja'. Ik begrijp hier niets van. Ik kan geen enkele reden zien om de Heer te prijzen voor de dood. De enige, verzachtende omstandigheid is dat Franciscus er onmiddellijk aan toevoegt: 'Zij is op aarde sterk en groot/zij heerst alom, er is geen man/die aan haar macht ontsnappen kan'.
Maar hoe kun je dit alles voortdurend omringen met het woord ’halleluja’, looft de Heer?
 
Een vijand
De dood is afschuwelijk en hard en onverbiddelijk. Daar past voor mij geen enkel halleluja bij. In het verleden woonde ik eens een begrafenis bij van een jong iemand, waar het ‘prijst de Heer’ niet van de lucht was. Ik stond met gekromde tenen. Ik kan hier niets mee. Voel enkel boosheid. Geef mij dan maar het verhaal van Johannes 11. De Heer is bij het graf van zijn vriend Lazarus niet in een jubelstemming, integendeel. Tweemaal lees ik dat Jezus ‘kwaad’ is. De Heer vindt de dood niet vanzelfsprekend, Hij fulmineert tegen de macht van de dood. De dood heeft Hem een van zijn beste vrienden afgenomen. Daarom huilt Jezus ook bij dit graf (de enige keer in het evangelie dat we lezen dat Jezus huilt!). Hij legt zich ook niet bij de situatie neer. Later spreekt Hij een indrukwekkend woord, noemt de naam van de gestorvene en dan is de dood nergens meer.
Daarnaast prijs ik mij gelukkig met de woorden die de kerk in het Luthers avondgebed uitspreekt: ‘Blijf bij ons Heer, wanneer over ons komt de nacht van beproeving en aanvechting, de nacht van de strenge, bittere dood.’ En ook Paulus heeft voor de dood
geen goed woord over, maar noemt hem ‘de laatste vijand die onttroond moet worden’. Dat is duidelijke taal: een vijand.
Zo heb ik het afgelopen jaar beleefd, een vijand omdat die kapotmaakt wat ons juist zo dierbaar is.
 
De dood kun je niet verbannen. Hij gaat ieder mens aan. Er is een bekend gedicht van de beroemde Engelse dichter-dominee John Donne over klokken die luiden in verband met een begrafenis. Donne stelt in dat gedicht aan iemand de vraag: voor wie luiden de klokken? Het antwoord is: ze luiden voor u! Wat Donne wil zeggen is: de dood van iemand anders raakt mij. Mijn leven is niet een geïsoleerd eiland in de oceaan van de geschiedenis, maar het is met duizenden draden verbonden met dat van mensen om mij heen. Ik hoor bij de ene grote menselijke familie, en als een 'van die familie’ sterft, dan sterf ik eigenlijk mee.
Voor de naaste familieleden geldt dit alles in bijzondere mate. Voor hen betekent het gaan naar het kerkhof dan ook een zware gang. Alles is voorgoed voorbij. Alles wat er overblijft, zijn de herinneringen.
Soms zijn die herinneringen heel dierbaar, soms vallen er allerlei donkere schaduwen doorheen.
In beide gevallen zijn ze belangrijk. Via de herinneringen is de overledene in zekere zin nog bij ons en kunnen we het proces van afscheid nemen ook na het overlijden voortzetten.
 
Heer, herinner U de namen
Zondag 26 november worden in de tweede dienst om 17.00 uur de namen genoemd van hen die in het afgelopen kerkelijk jaar zijn gestorven. We brengen ze in herinnering. Dat woord kan pijn doen. Herinnering is gestold verleden. Het gaat over onze dierbaren, die onder ons hebben geleefd. We hebben ze bemind en gekoesterd, met hen gelachen en gehuild. Ze waren met ons bestaan verweven.
Bij het noemen van hun namen voelen we misschien opnieuw de pijn van het gemis. ’t Is goed dat binnen de kerkelijke gemeenschap hun namen genoemd worden. Het maakt het verdriet niet minder, maar troost wel. Het geloof maakt je ook niet tot een minder verdrietig iemand. Verdriet mag er zijn. Door het te delen kun je je wel sterker gaan voelen. God heeft ons de traanklieren niet voor niets gegeven. Ze zijn er om te gebruiken en ze staan niet zomaar droog. Het zal niet gaan om uithuilen en opnieuw beginnen, maar wel om uithuilen en verdergaan en dan weer uithuilen. . . en dan weer ...
Ik hoop dat in en na deze dienst allen die iemand los moesten laten, lieve meelevende mensen blijven ontmoeten. Mensen bij wie je je jezelf mag zijn en voor wie jij je niet flink hoeft te houden. Bij zulke mensen ervaar je soms iets van de nabijheid van de Eeuwige, aan wie wij onze geliefden hebben toevertrouwd. Tot het moment dat de laatste bazuin klinkt en de laatste vijand, de dood, het definitief afgelegd zal hebben, wordt van ieder van ons als christen en als mens een bijdrage verwacht.
 
Ds. Bernhard H Steenwijk
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

© Gereformeerde Kerk Nijkerk   Leden   Account aanmaken?   ANBI   Privacy